Er zijn mensen met bloed in hun mond.
Ze nemen grote happen uit de verbrande aarde en verspillen al het vlees.
Het zijn niet hun lippen die gespleten zijn tot aan hun neusschot
Het zijn niet hun lippen die gespleten zijn tot aan hun neusschot
maar het zijn de stenen in hun hoofd die alle kanten oprollen.
Ze zien de aarde en de bronnen als hun getuigenis.
Ze nemen happen uit de aarde om thuis
te komen maar ze vermoorden alles wat daar is geweest.
Ik hou mijn handen om de nek van de keizerin.
te komen maar ze vermoorden alles wat daar is geweest.
Ik hou mijn handen om de nek van de keizerin.
Ik voel haar adem en hoe haar stemming is.
Ik hoor de stenen rollen door de gangen van haar hoofd
en in de weerspiegeling van de kassen steek ik ook mijn vingers in mijn oren.
Waarom? Denk ik dat ik hun kreten dan niet hoor?
Ik lik mijn lippen en met een hap slik ik alle botjes weg.
Ik sla mijn ogen op en zie de kleine doorbloede adertjes ook mijn kant op komen.
